De wondere wereld van Marten Toonder

 

het+hoorspel.jpg

 

Welkom in Heer Bommels Kleine Club. De laatste plek van beschaving op deze oververhitte planeet...

Johan Bilder/ Operator

Droomram/ Beheerder

Tom Poes - einde

  • Bommel


    Bommel Voluit: heer Olivier Berendinus Bommel. Heer van stand, voor wie geld geen rol speelt. Bewoner van het slot Bommelstein. Dikwijls onbegrepen. Hoewel zeer klassenbewust, niet onsympathiek. Rijdt in een bescheiden auto, de Oude Schicht, en gaat bescheiden gekleed: slechts in een geruite jas. Heeft, vervuld van goede bedoelingen, het onnavolgbare vermogen ontwikkeld in meer dan zeven sloten tegelijk te lopen. Geeft daarvan anderen de schuld. Heeft een matig gevoel voor wat redelijk is. Ietwat driftig van aard. Gaat hakkelen wanneer hij nerveus of bang is. Er is nu eenmaal meer dan een heer met een teer gestel kan verdragen. Is royaal, altijd bereid de portefeuille te trekken. Beroept zich vaak op wat zijn goede vader altijd zei. ,,En daar houd ik mij aan.'' Was bijna zijn hele leven lang vrijgezel. Trouwde ten slotte met juffrouw Doddel, zijn buurvrouw, die hem zeer bewonderde. Voor zover bekend verdween daarmee het avontuur uit zijn leven.

  • Maarten Toonder zakt door het ijs.


    Marten Toonder kwam in zijn jeugd vaak langs de Heemraadssingel. Hij woonde op verschillende adressen in Rotterdam West (ondermeer in de De Vliegerstraat) en zijn latere vrouw Phiny Dick woonde in de Schonebergerweg. Op 11-jarige leeftijd zakte Marten Toonden op de Heemraadssingel door het ijs: "Toen ik elf jaar oud was, dacht ik dat de Heemraadssingel het centrum van de stad was. Nu weet ik beter. Ik heb er mijn hele jeugd gelopen om van het Meineszplein op de Nieuwe Binnenweg te geraken waar ik mijn zakgeld kon besteden. En als puber fietste ik er langs om naar mijn school op de Westersingel te gaan - en er woonden vrienden en zelfs een vriendinnetje. Maar komaan; dit zijn allemaal vage jeugdherinneringen, terwijl de Heemraadssingel mij in het geheugen gegrift blijft door een ernstig ongeval dat in januari 1923 plaats vond.

    Vroeger waren alle winters koud, overblijfselen van de Kleine IJstijd zijnde. Altijd sneeuw en vorst en schaatsenrijden en ijssiepiepen. Dit laatste is in onbruik geraakt door de afwezigheid van de ijsschotsen die ontstonden wanneer men de ijsvloer, die de Singel dekte, kapot placht te hakken. Dat deed men om het joelerige schaatsen en het vestigen van koek- en zopiekramen tegen te gaan. De Heemraadssingel was een keurige, rustige buurt voor de betere standen die geen oog hadden voor volksvermaken. Maar wanneer men jong is, vindt men daar wel wat op. We hadden dan ook ontdekt dat het spannend is om op een schotsje te springen, en wanneer dat dreigde om te slaan, bliksemsnel op een volgende te hoppen. Al hossende van het ene schotsje op het andere kan de ervaren pieper zodoende hele afstanden afleggen. Daardoor geeft hij blijk van durf en behendigheid, en onder flinkere jongens is het een gezochte sport om die eigenschappen tot uiting te brengen.

    Persoonlijk zag ik er niet veel zinnigs in - maar wie wil er nu bang en klungelig lijken, als aankomend man zijnde. Na het een poosje te hebben aangezien, sprong ik op mijn eerste schotsje, en aangemoedigd door het gejuich van mijn makkertjes op de wal, hipte ik op het laatste moment op het tweede. Dit was wat klein, zodat het onder mijn voeten weggleed terwijl ik op het derde hipte. Helaas, te dicht op de rand. Het misselijke stuk ijs sloeg om en ik gleed te water om te verdwijnen in de Heemraadssingel, die zo verschrikkelijk koud was dat al mijn zintuigen uitgeschakeld werden. Boven mijn hoofd sloot het ijs zich weer zodat het donker werd. Maar door snel bevriezend instinct gedreven, stak ik mijn armen omhoog, waardoor mijn handen de schots een klein eindje omhoog duwden. Zodoende had ik houvast aan het belendende schotsje en ook konden de omstanders nu zien waar ik me bevond.

    Gelukkig waren er onder het publiek enkele volwassen bewoners die genaderd waren om een eind aan het ijssiepiepen te maken. Met behulp van een toegeschoten ladder slaagden die er in om me onder het ijs uit te trekken - en daar stond ik, van hoofd tot voeten doorweekt met onderkoeld water. Er naderde een dame, niet zozeer om me een warme kachel of een handdoek aan te bieden, maar goede raad. "Blijf daar niet staan jongen", riep ze boven mijn tandengeklapper uit. "Ga naar huis en ren zo hard je kan, dan blijf je warm. Draven tot je thuis bent! Anders krijg je longontsteking en ga je dood." Welnu, gedraafd heb ik: een stukje Heemraadssingel af, de Meineszlaan door en over het Meineszplein, totdat ik ademloos en bibberend op de huisdeur kon bonken . Wat daarna gebeurde weet ik niet duidelijk meer; maar de Heemraadssingel ben ik nooit meer vergeten."

Welkom bij Clubs!

Kijk gerust verder op deze club en doe mee.

Wat is dit?


Of maak zelf een Clubs account aan: